DE KERKFABRIEK


De naam ‘kerkfabriek’ ligt in het taalgevoel van deze tijd, nogal ongemakkelijk. Deze benaming vinden we reeds terug vanaf de 13 de eeuw en komt van het Latijnse ‘fabrica’ of onderneming. Deze onderneming was toen reeds opgevat als een bestuursorgaan, vooral gevormd door leken, en belast met het beheer van de kerkelijke goederen. De kerkfabriek zoals we die nu kennen als publiekrechtelijke instelling, dateert echter van na de Franse Revolutie.
Bij deze revolutie op het einde van de 18° eeuw, werden de kerkelijke goederen onteigend en ter beschikking van de natie gesteld, op voorwaarde dat de staat ‘op een behoorlijke wijze zou voorzien in de kosten van de eredienst, in het onderhoud van de priesters en in de ondersteuning van de armen’. Echter onder de ‘Convention Nationale’ en het ‘Directoire’ werden de kerkelijke goederen verkwist en verkocht aan particulieren. Deze goederen kregen in de volksmond de naam van ‘zwart goed’. De beoefening van de eredienst werd afgeschaft en de geestelijken die de eed van trouw aan de staat niet wilden afleggen werden vervolgd en verbannen vervolgd. In 1809 vaardigde de Franse keizer Napoleon een decreet uit dat het beheer van de parochiekerken moest regelen. Tien jaar voorheen hadden revolutionairen immers zowat alle kerkelijke eigendommen in beslag genomen, verkocht of een andere bestemming gegeven, waardoor bisdommen, parochies en kloosters in één klap hun inkomen hadden verloren. Het concordaat uit 1801 (26 messidor van het jaar IX, of 15 juli 1801) tussen Napoleon, toen nog Eerste Consul, en paus Pius VII had al een regeling voorzien die dit verlies moest goedmaken. Op 29 april 1803 werden de bisschoppen gelast met de aanstelling van de kerkfabrieken en met het opstellen van functioneringsreglementen die echter de goedkeuring moesten hebben van de regering. Uiteindelijk werd alles geregeld bij keizerlijk decreet van 30-12-1809. Dit decreet vormde nog steeds de basis van de huidige reglementering aangaande de kerkfabrieken o.m. wat betreft hun samenstelling, hun bevoegdheid en hun werking. Dit decreet bleef ook van kracht onder het Hollands regime en ook toen België onafhankelijk werd. Door de wet van 1870 werd een nauwkeurig voorgeschreven model van boekhouding, begroting en rekeningen ingevoerd. Hier dient ook vermeld dat de goederen van de kerkfabriek kerkelijke goederen zijn en als dusdanig vallen onder de bepalingen van het canoniek recht.
De financiering van de eredienst is bijgevolg het resultaat van een compromis tussen Kerk en staat. Aldus worden pastoors en andere bedienaren van erkende godsdiensten (bescheiden) verloond door de federale overheid en zijn parochiekerken meestal openbaar bezit. Aartsbisschop de Méan en zijn opvolger kardinaal Sterckx betreurden weliswaar het verlies van eigen inkomsten, maar ze steunden het systeem, omdat ze oordeelden dat de Kerk een groot maatschappelijk nut had.
In de Napoleontische wetgeving is de kerkfabriek dus een openbare instelling, belast met de zorg voor de materiële omkadering van de eredienst. Of zoals de wetgever het stelde: ‘Als autonome besturen met een openbaar karakter beheren de kerkfabrieken de parochiekerken, ook financieel. De gemeenten vullen het begrotingstekort aan en staan in voor de herstellingswerken aan het kerkgebouw en zorgen voor een woning voor de pastoor.’
Haast elke gemeente steekt toe aan het onderhoud van haar parochiekerken. Is dat bedrag hoog? In vergelijking met andere gemeentelijke uitgavenposten gaat het om betrekkelijk bescheiden bedragen, in de meeste gemeenten amper één procent van alle jaarlijkse uitgaven. De zwaarste uitgaven zijn voor kerkfabrieken die geklasseerde historische gebouwen beheren. Maar ook zonder parochiestructuur zou de overheid moeten betalen voor het onderhoud van dit erfgoed.


WAT IS EIGENLIJK 'DE KERKFABRIEK'?


De kerkfabriek is belast met de zorg voor de materiële voorwaarden die de uitoefening van de eredienst mogelijk maken. Of anders gezegd , zorgt zij ervoor dat we liturgie kunnen vieren .Ze moet zorgen voor de geldelijke middelen die nodig zijn voor een waardige eredienst o.a. door het bijhouden van een stipte boekhouding en het tijdig voorleggen van een begroting en het opmaken en verantwoorden van de jaarlijkse rekeningen. Verder is de kerkfabriek verantwoordelijk voor het beheer van het patrimonium of eigendommen van de kerk. Zij draagt ook de verantwoordelijkheid voor het gewoon en het buitengewoon onderhoud van de gebouwen. Zij legt ook de contracten vast voor het personeel dat in opdracht van de kerkfabriek helpt zorgen voor een waardig kader voor de eredienst. De kerkfabriek is een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid. De kerkraad bestaat uit vijf verkozen leden en één lid van rechtswege, nl. de door de bisschop aangestelde verantwoordelijke van de parochie . Voor onze parochie is dat Pater Michel Tilleman, pastoor in Wezemaal en onze parochie-administrator. De leden worden verkozen voor een periode van zes jaar, maar na drie jaar is er telkens een gedeeltelijke vernieuwing, de zogenaamde ‘kleine’ en ‘grote helft’.

HET CENTRAAL KERKBESTUUR


Het centraal kerkbestuur (CKB) is in de eerste plaats een overlegorgaan: enerzijds voor het overleg tussen de verschillende kerkfabrieken van dezelfde gemeente, anderzijds voor overleg met het gemeentebestuur. Nieuw bij de hoofdopdracht van het CKB is het gecoördineerd indienen bij het gemeentebestuur van het meerjarenplan en van het budget en budgetwijzigingen, en het gezamenlijk indienen van de jaarrekeningen. Daarnaast kan het centraal kerkbestuur een ondersteunende taak opnemen ten opzichte van de kerkfabrieken inzake administratief en financieel beheer, begeleiding van restauratiedossiers, enz.

Het CKB vergadert zo dikwijls als nodig en ten minste eenmaal per kwartaal.
Tweemaal per jaar is er een verplicht overleg met de gemeentelijke overheid over de meerjarenplannen en de budgetten van de kerkfabrieken van de gemeente.
Het CKB bestaat uit volgende personen:
1. Een vertegenwoordiger aangesteld door de bisschop.
2. Drie verkozen leden, afgevaardigden van de kerkfabrieken en verkozen door de leden van de kerkraden, zij worden verkozen voor een periode van drie jaar.
3. Een expert: de expert wordt aangesteld (niet verkozen) door de leden van het CKB.

HET FINANCIEEL BEHEER VAN DE KERKFABRIEK


A. De begroting


Jaarlijks moet de penningmeester het ontwerp van begroting aan de kerkraad voorleggen ter bespreking.
De begroting dient aan verscheidene instanties voorgelegd te worden. We sommen ze hier even op: de gemeenteraad, de bisschop en de bestendige deputatie van de provincie. Ieder keurt respectievelijk zijn deel van de begroting.
Voor 15 november moeten alle instanties hun goedkeuring verleend hebben.
De kerkfabriek kan nadien beperkt een begrotingswijziging indienen of een kredietaanpassing aanvragen onder bepaalde voorwaarden bij uitzonderlijke omstandigheden.

Waar haalt de kerkfabriek haar inkomsten?
De belangrijkste inkomsten zijn: huishuren, pachten in geld en in natura, inkomsten van stichtingen (intresten en pachten), intresten van beleggingen, stoelgeld, omhalingen, opbrengst van offerblokken, rechten op de opbrengsten van lijkdiensten en huwelijken, giften en legaten, toelage van de gemeente voor de gewone kosten van de eredienst, buitengewone toelagen van gemeente, provincie of gewest

Waar dient ze voor te zorgen? 1. Door de bisschop vastgestelde uitgaven ten behoeve van de eredienst De belangrijkste uitgaven zijn o.a.: hosties, miswijn, Godslampolie en kaarsen, water, verlichting en verwarming, onderhoud van kerkgewaden en kerkmeubelen, wasserijkosten en eventuele schoonmaak van de kerk, aankoop van kerkgewaden, kerkmeubelen en altaardoeken, liturgische boeken en andere benodigheden.

2. Uitgaven onderworpen aan de goedkeuring van de bisschop en van de bestendige deputatie
De belangrijkste gewone uitgaven zijn o.a.: lonen of vergoedingen van koster en orgelist, onderhoud en herstellingen aan de kerk, pastorij of andere gebouwen van de kerk, onderhoud van de centrale verwarming, klokken en uurwerk, belastingen en taksen, brandverzekering en verzekeringen burgerlijke aansprakelijkheid, correspondentiekosten (postzegels, telefoon , kopieertoestel, papier, enz), verlichting en verwarming pastoraal centrum

De belangrijkste buitengewone uitgaven zijn o.a.: schildering en verfraaiing van de kerk, grote herstellingen aan of verbouwingen van de kerk, grote herstellingen aan of verbouwingen van de pastorij.

B. De boekhouding


De penningmeester is verantwoordelijk voor het innen van de ontvangsten.
Maar voor de uitgaven geldt een bijzondere regeling. Zij kunnen slechts effectief uitgevoerd worden na een voorafgaande beslissing van de kerkraad (kerkfabriek). Dit gebeurt d.m.v.een betalingsmandaat dat voor elke uitgave opgemaakt wordt. Het mandaat wordt ondertekend door de voorzitter maar nooit door de penningmeester zelf. Zo vermijdt men dat één persoon uitgaven kan doen. Alle uitgevoerde verrichtingen moeten ingeschreven worden in de boekhouding van de kerkfabriek.
Je hoort wel eens mensen klagen over inkomsten van de parochies, die niet voor het kerkgebouw maar voor andere pastorale doelen worden gebruikt. Er bestaat echter een onderscheid tussen het bezit van de kerkfabrieken en dat van parochiale vzw’s. Laatstgenoemden zijn privé-instellingen. Deze vzw’s, intussen meestal dekenaal of regionaal georganiseerd, beheren parochiezalen, vergaderruimten en jeugdlokalen. Zij putten inkomsten onder meer uit de verhuur van dat patrimonium.
Sinds de laatste staatshervorming zijn kerkfabrieken gewestelijke materie. Het Vlaams Gewest heeft bij decreet van 7 mei 2004 een volledig nieuwe reglementering uitgewerkt, die de vroegere Napoleontische wetgeving vervangt.
Het nieuwe decreet bevat een aantal vernieuwingen wat betreft de samenstelling, de voorwaarden voor het lidmaatschap en de verkiezingen van de kerkraden, het opstellen van een meerjarenplan en het oprichten van centrale kerkbesturen.

Terug naar overzicht